Als watermoleculen in een holte terecht komen, blijven ze hangen,
brengen hydrolyse op gang en lossen dan de daarin aanwezige stoffen op.
De ontstane oplossing trekt door de osmotische werking meer water aan dan de holte kan bergen.
Die holte moet dus groter worden.
Een vloeistof is immers niet samendrukbaar.
Daardoor ontstaat een blaasje.
De druk daarin loopt zo hoog op dat het blaasje dicht onder de gelcoat zal barsten en een scheurtje veroorzaakt.
Dieper liggende blaasjes barsten ook, maar richten schade aan door delaminatie, uiteenscheuren van het laminaat.
Het verschijnsel osmose werd in 1886 voor het eerst goed gedefinieerd
Door de Rotterdamse chemicus J.H.van't Hoff, die 1901 als eerste Nederlander de Nobelprijs voor natuurkunde en chemie ontving.
Het natuurkundig verschijnsel dat we osmose noemen, komt op gang als drie factoren aanwezig zijn: water, een in water oplosbare stof en een zogeheten selectief filter. Dit laatste is bijvoorbeeld de gelcoat of een verfsysteem. Zolang een jacht in het water ligt, dringt dit langzaam maar zeker door in de gelcoat en de achterliggende lagen.
Dit is een eigenschap van alle met glasvezelversterkte polyesterharsen.
